logonaam

De polder,
de belevenissen van Cericus Aeruginosus deel 2

kiekendief

Er naast een mooi nieuw huis van de fam. Knijf,
Waar in leven Jan Fokke bonen, sla  e.d. groeide,
En voorbijgangers  met zijn millimeters regen boeide,
't Verhaal  had meestal weinig om het lijf.

Dan vlieg ik langs een schitterende orchidee,
Zo’n prachtig exemplaar met grote kaars,
Kleur lila-paars,
Maar als je vraagt waar staat hij dan precies dan zeg ik nee.

Rechts springt een serie vlaggen in het oog,
En zie een mooi bedrijf vanuit de lucht,
Guiljam in vogelvlucht,
Draai dan terug over de Nol met een flinke boog.

Ontdek een grote berg met boven in de top,
(Was er in Holland geen fantast met zo’n idee voor winterski en zomertoer,
En Alpinesport  gevaarlijk stoer),
Een Hitachi kraan er pronkend op.

Zeg niet wij zijn hier niet bij de tijd en onderlegd,
Wat Hollanders vaak nog niet weten,
Zijn wij al lang vergeten,
Dat mag ook wel eens gezegd.

Een vriendin uit Etten-Leur  zei;  hier werkt Guiljam uit Hoek,
Wat ziet dat materiaal er gelikt en netjes uit,
Ik zeg, dat komt door Anthonies  verfspuit,
En kwast en veger zijn nooit ver buiten bereik of zoek.

Na deze ronde ga ik eerst naar vrouw en nest,tram
Volgende week is er vast weer meer,
Alles kan niet in één keer,
Je weet; Oost-West thuis best.

Hoorde ik laatst een getimmer en geklop,
Werden daar schotbalken geplaatst door,
Maarten op het oude spoor,
Daar reed vroeger de tram naar Philippine op .

Ook aan de andere kant bij de bloemendijk staat een prachtig exemplaar,
En als je kijkt dan zie je nog de lijn,
Dat eens het spoor kon zijn,
En zeg je; ja de tram reed daar.

vosHoewel ik moeras en drasse grond prefereer,
Vlieg ik ‘s middags meestal oost zo langs het bos,
Heel soms zie ik dan een vos,
En tegen de avond reeën keer op keer.

Of het waar is weet ik niet, en het is met reserve dat ik het vertel,
Een Jack Russel kroop eens in een vossenhol in ’t land,
En haalde een vos aan de kant,
Zal ik er wel voor zorgen zei een boer, maar nu is alleen nog over ‘t vel.

Dan rechts op de scheiding tussen wei en land,
Een magnifieke witte els, een parel van een boom,
Een fotogenieke droom,
Als solitair waarschijnlijk ooit geplant.

Een witte woning komt in zicht, dat is van Piet en Leu,
Ze zijn hier gezonden; dit is niet verzonnen,
Als ontwikkelingswerkers door de nonnen,
‘t Is zeker waar, Piet heeft het mij zelf gezegd,’parbleu’!

naar boven